Natuurlijk Grevelingen

Laat de grevelingen niet verdrinken

De voornaamste zorgen en twijfels betreffen het mogelijk grootschalig verlies van de huidige N2000- natuurwaarden t.w. de primaire duinvegetaties en de kustbroedvogels, de mate waarin gemitigeerd zou kunnen worden, de wellicht overspannen verwachtingen van de te realiseren ecologische winst , de grootte van de in te voeren getijslag en de te verwachten erosie.

Hieronder wordt verder ingegaan op de afzonderlijke aspecten.

Het getij en effect op waarden

Uit alle studies tot nu toe blijkt dat zodra het hoogwater (HW) hoger komt dan 0 cm NAP er gevoelige verliezen optreden m.b.t. tot vegetatie. Kustbroedvogels hebben uitgaande van de huidige situatie op sommige plekken al last als het peil hoger dan – 20 cm NAP komt (bijv. Kleine Stampersplaat). Naarmate het HW hoger komt wordt het verlies groter. Bovendien dreigt er nog een extra verhoging van 10 cm. te komen als het Volkerak-Zoommeer permanent verbonden wordt met de Grevelingen.
De beleidsmakers zijn zich hiervan bewust en wijzen op de mogelijkheid de verloren gegane waarden te mitigeren door o.a. afplaggen en opspuiten.
Er wordt en werd lopende het besluitvormingsproces nog wel eens beweerd dat de huidige botanische waarden van de Grevelingen geen echte Deltawaarden zouden zijn. Dit bevreemdt ons. Primaire duinvegetaties komen overal voor waar groene stranden en jonge duinen afgesloten raken van zilte invloed. Op beperkte schaal gebeurt het in Zuidwest-Nederland nog steeds. Voor de inpolderingen en de bedijkingen was het een normaal verschijnsel. Wat na de afsluiting in de Grevelingen gebeurde past geheel in het beeld. Gezien het voorgaande heeft de werkgroep twijfels of er wel voldoende gelden beschikbaar zullen komen, of afplaggen wel het gewenste effect zal hebben, of e.e.a. wel gerealiseerd wordt voor het instellen van getij en of men op de lange duur deze waarden (instandhoudingsdoelen) nog
wel wil handhaven. Het is goed voorstelbaar dat met de Europese Commissie overeengekomen wordt, de Grevelingen te gaan kwalificeren als “dynamisch gebied” met daaraan gekoppeld ook grotendeels andere instandhoudings- en verbeterdoelen dan de huidige. Geluiden in die richting vallen al te vernemen.
De werkgroep beseft, dat op de lange duur de landgedeelten slecht of niet handhaafbaar zullen zijn als gevolg van de (mogelijke) zeespiegelstijging. Gezien de hoge biodiversiteit,de zeldzaamheid in Europees verband, de grote schaal ervan en de voorlopig nog kleine kans dat deze waarden elders in Nederland en Europa duurzaam en op aanvaardbare schaal kunnen ontstaan, acht de werkgroep het van belang de huidige waarden in de Grevelingen zolang mogelijk te handhaven.
Als getij wordt ingesteld zou dit op zo`n laag mogelijk niveau moeten gaan functioneren en zo traag mogelijk moeten meestijgen met de middenstand van de Noordzee.

Getijslag, getijvolume en peilbeheer

De werkgroep vraagt zich af of de getijslag die het meest genoemd wordt d.i. 50 cm echt wel nodig is voor een aanvaardbare vermindering van het zuurstofprobleem. Deltares acht 40 cm voldoende voor een goed resultaat. Dan kan met 30 cm ook een aanvaardbaar resultaat behaald worden. Zuurstofproblemen horen immers bij kustwateren. 30 cm getijslag vergt een minder grote opening en is dus goedkoper. De Grevelingen zou qua uitwisseling gaan lijken op o.a. de Deense Mariagerfjord. Deze is 40 km lang en smaller dan de Grevelingen, heeft nauwelijks dijken, maar heeft verder veel overeenkomsten met de Grevelingen (zoutgehalte,soortenspectrum). Er is een getij van 15 à 20 cm. Tussen 0 en 6 m diepte is de situatie voor het onderwaterleven permanent goed, tussen 6 en 15 m diepte wisselen de omstandigheden, onder de 15m is het meestal slecht. Een deel van de fjord is N2000-gebied en er is mossel- en garnalenvisserij.Deze situatie bestaat al eeuwen.
Dit geldt ook voor andere Deense kustwateren zoals de Limfjord.
De jaarlijkse soms ingrijpende zuurstoftekorten op grotere diepten in juli en augustus halen af en toe de kranten, maar worden als gegeven aanvaard.

Het is erg jammer dat in de afgelopen jaren niet geëxperimenteerd kon worden met open Brouwerssluis en hevel zonder stuurprogramma. Het RIKZ (Herman Haas) stelde nog niet zo lang geleden, dat zuurstofproblemen hiermee grotendeels opgelost (of beheersbaar) zouden kunnen zijn. Inmiddels wordt die opvatting op theoretische gronden (modelberekeningen Deltares) als achterhaald van de hand gewezen. Het was mooi geweest als we dat ook in de praktijk hadden kunnen toetsen. Een no-regretmaatregel die best had gekund en die de nodige kennis had kunnen opleveren. Een maatregel die nog steeds kan.

Het HW in de Grevelingen zou, bij instellen getij, om te beginnen liefst zo laag mogelijk gehouden moeten worden, zodat zeldzame zoete vegetaties zo lang mogelijk gespaard blijven.
Om zilte overstromingsgraslanden en kustbroedvogellocaties optimaal te beheren dienen `s winters af en toe hogere standen mogelijk te zijn (model springvloeden).
Als het HW langzaam kan meestijgen met de zeespiegel geven we onszelf tijd om te experimenteren met mitigatiemaatregelen en deze geleidelijk invoeren (kostenspreiding) . Bij invoering van hoger HW gaat teveel in een klap verloren en moet ook te veel en te snel worden gemitigeerd en/of aangepast.
Aanpassingen voor kustbroedvogels buiten de Grevelingen zoals het afsluiten van dijkvakken en stukken strand worden door ons als niet reëel gezien. Voor kustbroedvogels is de Grevelingen in internationaal verband van onschatbare waarde. Men kan er immers duurzaam broedhabitat voorhanden hebben mits het peilbeheer daarop afgestemd is. In Waddenzee, Ooster- en Westerschelde is dat nu eenmaal niet mogelijk. De afgelopen jaren werd er onzerzijds voortdurend op aangedrongen het peilbeheer te verbeteren met het oog op met name kustbroedvogels, maar ook ter bevordering van zilte overstromingsvegetaties. Een gevarieerder peilbeheer had best gekund zonder grote aanpassingen aan de infrastructuur.

Getij en getijcentrale

Op zich hoeft er geen bezwaar te zijn tegen een getijcentrale. De werkgroep vreest echter dat het nastreven van de centrale automatisch een getijslag van 50 cm met zich meebrengt. Deze getijslag zal men het liefst op een zo hoog mogelijk niveau instellen vanwege de rentabiliteit.
Dit kan met zich mee brengen dat heel veel direct verloren gaat.
De werkgroep heeft twijfels over de te verwachten ecologische winst en vindt de getijcentralewensen, zoals die luidkeels worden geuit door diverse belanghebbenden, teveel sturend voor het besluitvormingsproces t.a.v. de getijslag. Er worden teveel belangen opgehangen aan de komst van de centrale. De werkgroep heeft zich in een brief gericht tot de Stuurgroep Getijcentrale. Deze gaat hierbij als bijlage ter info.

Winst en verlies

Wat er verloren gaat bij de instelling van een getij dat al direct hoogwaters impliceert boven NAP staat buiten kijf. Model 50 cm getij tussen + 15 cm en – 35 cm NAP wordt geregeld genoemd.
Dat betekent bij HW een stand van 35 cm boven huidig peil, hetgeen fnuikend is voor praktisch alle huidige Natura 2000 waarden.
De brochure Getijdencentrale Brouwersdam welke nu in omloop is spreekt van + 25 tot – 25 cm NAP. Er is kennelijk nog discussie gaande.
Wat nooit genoemd wordt, is dat primaire duinvegetatie niet alleen verdwijnt door zilte overspoeling, maar dat deze ook bedreigd wordt door zoet kwelwater dat door hogere waterstanden omhoog gestuwd wordt. Dit kwelwater bevat nutriënten welke nadelig werken.Voorts moet men zich realiseren dat bij de dagelijks optredende laagwaters water wegzakt uit het sediment, waardoor lucht kan toetreden hetgeen mineralistie dus voedselverrijking veroorzaakt. Dit is schadelijk voor vegetatie welke gedijt onder voedselarme omstandigheden.
Wat betreft optredende erosie bij de verschillende getijmodellen bestaat onzekerheid, omdat recente gegevens over huidige bodemhoogten en –hellingen ontbreken. Vrijwel zeker mag men aannemen dat het Oosterscheldescenario (zandhonger) min of meer vergelijkbaar in gang zal worden gezet, tenzij men ingrijpende maatregelen gaat nemen (periodiek opspuiten, directe verdedigingen aanbrengen). Het rapport “Civieltechnische effecten peildynamiek Grevelingen”
(Witteveen en Bos november 2000) geeft immers aan dat waterstanden (hoogwaters) boven 0 cm NAP grote kosten met zich meebrengen wegens noodzakelijke oeveraanpassingen.

De recente natuureffectenstudie RGV verwacht op een aantal terreinen winst. Hierop wordt hieronder ingegaan.

Zilte graslanden en schorren

Zilte graslanden kunnen alleen ontstaan als deze incidenteel, maar wel geregeld, worden overspoeld met zout water. Overspoelingen dienen plaats te hebben buiten het kustbroedvogelseizoen of alleen in de winter.
Naarmate de zeespiegel stijgt, moet er wel ruimte zijn voor de vegetatiegordels om op te schuiven. De vraag is of dat laatste kan in de Grevelingen gezien de huidige vegetatie.
Binnen de zone met getij ontstaat zilte pionierbegroeiing slechts in beperkte mate vlakbij de hoogwaterlijn. De zone zal vooral boven de gemiddelde hoogwaterlijn liggen op delen die toch zo nu en dan overspoeld worden (met opwaaiing e.d.). Zeker niet zo dat hoe groter de getijslag hoe groter deze zone. Het is vooral afhankelijk van de beschikbaarheid van laag gelegen oevers boven de hoogwaterlijn, de expositie van deze oever en de mate waarin periodieke overspoeling wordt toegestaan. Bij een vast peil met een grotere marge wat hoge waterstanden betreft, kan die zone groter zijn dan met getij.

In strikte aardkundige zin kunnen schorren niet ontstaan, omdat er geen sedimentaanvoer meer plaatsvindt.

Zilte pionierbegroeiingen

Zullen zich beperken tot een smalle zone. Hoe groter de getijslag (en hoe flauwer de oever), hoe breder de zones zullen zijn. Grote getijslag echter niet gewenst en ook niet mogelijk wegens de bestaande inrichting van de Grevelingen. Binnen de zone met getij ontstaat zilte pionierbegroeiing slechts in beperkte mate vlakbij de hoogwaterlijn. De zone zal vooral boven de gemiddelde hoogwaterlijn liggen op delen die toch zo nu en dan overspoeld worden (met opwaaiing e.d.). Zeker niet zo dat hoe groter de getijslag hoe groter deze zone. Het is vooral afhankelijk van de beschikbaarheid van laag gelegen oevers boven de hoogwaterlijn, de expositie van deze oever en de mate waarin periodieke overspoeling wordt toegestaan. Bij een vast peil met een grotere marge wat hoge waterstanden betreft, kan die zone groter zijn dan met getij.

Noordse woelmuis

De werkgroep vindt het onbegrijpelijk dat er winst wordt gezien voor de Noordse Woelmuis. De soort is weliswaar gebaat bij wisselende waterstanden,maar kan niet floreren in een getijmodel. Het leefgebied zal in een getijmodel juist afnemen.

Wintergasten

Daartoe horen planteneters, viseters en benthoseters.
Planteneters en benthoseters van het getijdeslik zijn sterk afhankelijk van de ontwikkeling en de oppervlakte van het intergetijdegebied en de overstromingsgraslanden.
Waterplanteneters zullen in de Grevelingen geen nieuwe bronnen gaan aantreffen. Zeegras zal zich niet opnieuw ontwikkelen, tenzij men wellicht buitenlandese soorten kan vinden die in de Grevelingen kunnen gedijen. De vraag is of men dat moet doen.
Over de grootte en de waarde van het te verwachten intergetijdegebied is echter nog onzekerheid.
De waarde van het intergetijdegebied voor benthoseters is immers afhankelijk van de nutriëntenaanvoer. Voor de afsluiting vond er massale aanvoer plaats door zowel rivier- als zeewater. Dit zal bij de instelling van een gedempt getij onder de huidige omstandigheden nauwelijks meer het geval kunnen zijn, daar de verbinding met het nutriëntrijke rivierwater definitief afgesloten lijkt te zijn.
De werkgroep vindt het van te groot optimisme getuigen direct al van winst te spreken. We moeten het nog maar zien.
Viseters zullen misschien wel kunnen profiteren van de betere migratiemogelijkheden voor vis bij een permanent grotere open verbinding, mits een eventuele centrale passeerbaar is, hoewel ook wel gesuggereerd wordt, dat kleine vissoorten (het stapelvoedsel) de Grevelingen in de winter juist zullen gaan verlaten. Daarnaast is er echter ook twijfel als men kijkt naar de situatie in de overige Deltawateren. In de open zeearmen komen visetende watervogels nu minder voor dan in de Grevelingen.

Zeehonden en Bruinvis

Gewone zeehonden weten de weg naar de Grevelingen al lang te vinden.
Betere migratiemogelijkheden en beter voedselaanbod (komt dat er?) zal de stand bevorderen. De soort zal eventueel ook Krammer-Volkerak gaan bevolken.Ook nu al dringen Gewone Zeehonden ver in het binnenland door (Noord-Drenthe, Zaanstreek, uitwateringskanalen Katwijk en Scheveningen, ver stroomopwaarts in de zijrivieren van Schelde) . Voor de afsluitingen had je ook permanente groepen verder in het binnenland zoals langs de Noord en in het Hollands Diep (Zeehondenplaat!) . Grijze Zeehonden zijn meer kustgebonden. Het is niet te verwachten dat zich ver van de kust af in het binnenland (Krammer-Volkerak) populaties gaan ontwikkelen. In Engeland wordt de Grijze Zeehond ook alleen maar aan de kust gezien.
Bruinvissen zijn sterk afhankelijk van voldoende vis. Ze moeten “in hun voedsel” kunnen zwemmen. Uit de literatuur is bekend dat Bruinvissen vroeger tot aan Keulen werden gesignaleerd. Ook in het IJ te Amsterdam en stroomopwaarts van Antwerpen was het dier een bekende verschijning. Het is dus in theorie mogelijk, dat Bruinvissen in zekere getale kunnen verschijnen in ver van de kust afgelegen wateren. Alles zal afhangen van de voedselbeschikbaarheid en de migratiemogelijkheden. Het migratieonderzoek in de Oosterschelde zal afgewacht moeten worden om met meer zekerheid iets te kunnen zeggen over toename (winst) van Bruinvissen in het Grevelingen/ Krammer-Volkerak gebied.
Voorts moeten de zeezoogdieren een eventuele getijcentrale kunnen passeren.
De mogelijk toekomstige centrale van een rooster o.i.d. voorzien en daarbij de Brouwerssluis openlaten voor migratie levert geen meerwaarde t.o.v. de huidige situatie.

Estuariene natuur

Als nieuw element noemt men estuariene natuur. Estuariene natuur komt naar de mening van de werkgroep toch echt alleen maar voor in een estuarium = het overgangsgebied tussen rivier en zee. In het estuarium vinden abiotische processen plaats als opbouw en afbraak van platen, slikken en schorren en het neerslaan en verwerken van nutriënten in de biotische kringloop. In Grevelingen en Krammer-Volkerak is van bovenstaande geen sprake meer. Grevelingen en Krammer-Volkerak zullen hooguit zeearm genoemd mogen worden.
Grote baaien en zandplaten zijn er al en nieuwe zullen echt niet ontstaan. Slijkgrasvelden zouden kunnen ontstaan op plekken met voldoende slikrijke bodem. Niet iedereen zal echter blij zijn met uniforme velden (Engels-) Slijkgras, zoals we die o.a. in de kustmoerassen van Virginia en North-Carolina kunnen aantreffen.

Conclusie

Natuurlijk ziet de werkgroep ook graag herstel van de oude dynamische situatie met ongehinderde estuariene processen. Uitbundige hoeveelheden klein leven in schorren en slikken waar vissen, sterns,waadvogels en zeehonden massaal op afkomen. Natuurlijk beseft de werkgroep ook wel, dat meer contact met de Noordzee het onderwaterleven in de Grevelingen rijker kan maken.
Met alleen invoeren van gedempt getij op de Grevelingen (Krammer-Volkerak) kan echter geen sprake zijn van herstel van de oude situatie. De verwachtingen m.b.t. de “estuariene” winst vinden we te optimistisch. Men zal een en ander beter moeten onderbouwen. Dat geldt ook voor het zuurstofprobleem. We hebben het proces tot nu toe nauwlettend gevolgd. Voor een deel hebben we ook meegedraaid in ZWDelta-workshops, N2000 beheerplanbijeenkomsten, conferenties ed.. Steeds kwamen we ook grote twijfels tegen. De materie is dan ook erg gecompliceerd.
Naar buiten toe is de toon van beleidsmakers en beslissers te optimistisch.Brochures en krantenartikelen schetsen soms een utopisch beeld. Er wordt te groot belang gehecht aan de mogelijke komst van een getijcentrale.
De werkgroep wil graag de huidige waarden in de Grevelingen zolang mogelijk en zoveel mogelijk behouden en bepleit een voorzichtige aanpak met een niet te grote getijslag. Dat kan later altijd nog als de zeespiegel zover gestegen is, dat het huidige landoppervlak niet meer te handhaven is. Een voorzichtige aanpak geeft ook tijd om kosten te spreiden en verder na te denken over hoe we in Zuidwest-Nederland zoveel mogelijk estuarien oppervlak kunnen herstellen of behouden (met name in Haringvliet). Bij al te grote haast is niemand gebaat. We verwachten geenszins dat in 2020 de Brouwersdam met getijcentrale koninklijk geopend zal worden met een Grevelingen (Krammer-Volkerak) waarin alle infrastructuur voor zowel natuur en recreatie al volledig aangepast is. Daar is eenvoudigweg geen geld voor. Wellicht zal men wegens geldgebrek zelfs moeten terugvallen op het reeds eerder geopperde scenario d.i. realiseren van een wat vergrote Brouwerssluis, een wat vergrote hevel en een gevarieerd peilbeheer afgestemd op het wel en wee van kustbroedvogels en vegetatie.
Ingrijpender maatregelen kunnen altijd nog.

 

Werkgroep “Beter zicht op de Grevelingen”

Kees de Kraker, Krijn Tanis , Willem Post , Martijn Verweijen